Wat ik leuk vind aan deze reis, is dat je niet simpelweg de snelste weg tussen Melbourne en Sydney volgt. Sterker nog: de Great Ocean Road ligt eigenlijk de verkeerde kant op. Maar die zou ik echt niet overslaan. Je maakt dus bewust eerst een lus naar het westen, via de Grampians en de kust, voordat je richting Mornington Peninsula en Wilsons Promontory rijdt. Dat kost wat extra kilometers, maar levert ook precies die landschappen op waarvoor je naar Zuidoost-Australië komt: ruige rotskust, eucalyptusbossen, wildlife en van die wegen waar je regelmatig nog even uitstapt omdat het uitzicht te mooi is om door te rijden.
Daarna wordt de reis steeds meer een mix van kust en kleine natuurgebieden. Wilsons Promontory is voor mij echt een van de sterkste plekken in deze route. Je kunt er wandelen langs baaien en granieten rotsen, terwijl wallabies, wombats, kangoeroes en zwarte kaketoes zomaar onderdeel van je dag worden. Verder noordwaarts zou ik ook niet alles volplannen. Juist een paar nachten bij Tilba of Jervis Bay geven ruimte voor een strandwandeling, snorkelen met pelsrobben bij Montague Island of gewoon een middag op het terras van je accommodatie. En met de Blue Mountains vlak voor Sydney krijgt de reis nog één flinke dosis berglandschap voordat het stedelijke slotstuk begint.
Ook de accommodaties mogen hier echt meedoen. Een designcabine in de Grampians, een cottage met koala’s in de bomen bij Wilsons Prom, een tiny house in rural New South Wales of glamping bij Jervis Bay: juist zulke plekken zorgen ervoor dat de route niet alleen mooi rijdt, maar ook ’s avonds nog karakter houdt.