Nieuw-Zeeland en Tasmanië samenvoegen vind ik eigenlijk heel logisch. Niet omdat ze hetzelfde zijn - absoluut niet - maar juist omdat ze allebei ontzettend sterk zijn in natuur, wildlife en landschappen waar je graag zelf op pad gaat. Nieuw-Zeeland is grootser en dramatischer, met vulkanen, fjorden en de Southern Alps. Tasmanië voelt compacter, ruiger en soms bijna intiem: witte stranden, eucalyptusbos, grillige bergen en wildlife dat ineens naast je wandelpad staat.
Ik heb in deze route daarom bewust niet geprobeerd heel Nieuw-Zeeland mee te pakken. In Northland heb je vier nachten bij de Bay of Islands en onderweg neem je Waipoua en Piha mee. Op het Zuidereiland ligt de nadruk niet op zo veel mogelijk plaatsen, maar op ervaringen. In de Marlborough Sounds vaar je bijvoorbeeld met een watertaxi naar een lodge die verscholen ligt tussen beboste baaien. Daarna steek je dwars door Arthur’s Pass, combineer je het gletsjergebied met het veel rustigere Ōkārito en kies je voor Glenorchy in plaats van alleen Queenstown. De overnachting op een kleinschalige boot in de fjorden van Doubtful Sound vormt vervolgens een prachtige afsluiting van Nieuw-Zeeland.
En dan Tasmanië. Ik zou daar na vier weken Nieuw-Zeeland niet nog snel een paar beroemde plekken aan vastplakken. Daarom krijgen Freycinet en Cradle Mountain ieder drie nachten en blijf je ook twee nachten bij de Bay of Fires. Dat geeft ruimte voor een wandeling wanneer het weer goed is, een omweg naar een strand waar niemand loopt of simpelweg een avond waarop een wallaby rond je accommodatie scharrelt. Melbourne erachteraan vind ik juist heerlijk: na al dat groen mag er best weer even een cappuccino in een steegje en een cocktail op een rooftop komen.