Wie vijf weken voor het Zuidereiland heeft, hoeft wat mij betreft niet automatisch een rondje langs Queenstown, Wānaka, de gletsjers en Aoraki/Mount Cook te rijden. Natuurlijk zijn dat prachtige gebieden, maar er bestaat geen vaste lijst die je tijdens iedere eerste reis verplicht moet afvinken. In deze route koos ik bewust voor het oosten, het diepe zuiden en een aantal stille binnenwegen. Daardoor ontstaat een reis die heel anders voelt dan de gebruikelijke rondjes over het Zuidereiland.
De eerste helft draait sterk om wildlife en ruige natuur. In Oamaru zie je de kleine blauwe pinguïns na zonsondergang uit zee terugkeren. Op het Otago Peninsula leven albatrossen, zeeleeuwen en geeloogpinguïns en in de Catlins volg je een kust van watervallen, regenwoud en winderige kliffen. Daarna steek je over naar Stewart Island, waar vogels overal om je heen klinken en de kans bestaat dat je in het donker een kiwi door het struikgewas hoort scharrelen. Op de bestaande reis waren juist dit vogelleven, de verlaten kust en het langzame tempo belangrijke onderdelen.
Na Stewart Island krijgt Fiordland alle ruimte. Ik heb hier niet alleen nachten in de omgeving van Te Anau opgenomen, maar ook een aparte overnachting rond Manapouri en Doubtful Sound. Doubtful Sound bereik je niet even met je eigen huurauto. De reis ernaartoe, over Lake Manapouri en de Wilmot Pass, hoort al bij de ervaring. Een overnight cruise past hier prachtig bij: wanneer de dagbezoekers verdwijnen, blijven het donkere water, de watervallen en af en toe het geluid van een vogel over.
Daarna verandert het landschap voortdurend. In Central Otago zijn de bergen droger en nodigen oude spoortracés uit tot een tocht per e-bike. Hakatere Conservation Park brengt je vervolgens naar brede valleien, gravelwegen en bergmeren, voordat je in Greta Valley overnacht tussen de heuvels.
De noordelijke helft van de reis is minstens zo eigen. Via de Lewis Pass en Maruia Springs rijd je naar Golden Bay, waar vier nachten eindelijk genoeg lucht geven voor Wharariki Beach, Farewell Spit, Tākaka en een uitstap richting Abel Tasman National Park. Daarna volgen wijn rond Blenheim en walvissen bij Kaikōura. Ik vind het juist leuk dat deze route niet naar één groot hoogtepunt toewerkt. Bijna iedere paar dagen verandert de sfeer: van pinguïns naar fjorden, van goudkleurige heuvels naar dampend bos en uiteindelijk weer naar de oceaan.